
Jurisprudentie
AR3206
Datum uitspraak2004-09-23
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/122 AOR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/122 AOR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Een besluit in de zin van art. 6:19 in samenhang met art. 6:18 Awb dient te zijn een besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid, Awb.
Uitspraak
04/122 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij het beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere, namens appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28 november 2003, nr. AWB 03/712, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Enige weken later, bij brief van 27 januari 2004, heeft mr. Sloof voornoemd de Raad bericht dat hij niet langer de gemachtigde van appellant is en dat appellant zijn belangen in deze zaak zelf zal behartigen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 augustus 2004. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door zijn secretaris, J.H.R. Frölings, en door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden, welke hij als vaststaande aanneemt.
De directie van het Pensioenfonds Suriname heeft bij brief van 13 december 2002 verklaard dat aan appellant, geboren op 10 oktober 1936, te rekenen van 10 oktober 1996 af een ouderdomspensioen is toegekend en dat het gelet op de deviezenpositie van het land voorshands niet mogelijk is het pensioen betaalbaar te stellen. Daarom heeft appellant bij brief van 22 januari 2003 gedaagde verzocht hem een garantiepensioen ingevolge de Garantiewet Surinaamse Pensioenen (verder: de Wet) toe te kennen.
Gedaagde heeft bij besluit van 11 februari 2003 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de eis, vervat in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet, dat hij zich voor 1 mei 1985 in Nederland heeft gevestigd.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. In dat kader heeft hij gedaagde verzocht jegens hem toepassing te geven aan de in artikel 2, vijfde lid, van de Wet opgenomen anti-hardheidsbepaling. Vervolgens heeft gedaagde eiser enige malen schriftelijk gemaand gegevens in te zenden die zijn verzoek om toepassing van die bepaling onderbouwen, waarbij appellant is voorgehouden dat, doet hij dit niet, zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
Bij besluit van 24 april 2003 heeft gedaagde, vaststellende dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, het bezwaar van appellant op grond van artikel 6:6 in samenhang met artikel 6:5, eerste lid aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) niet-ontvankelijk verklaard; gedaagde heeft toegevoegd dat er geen termen aanwezig zijn om ten aanzien van appellant het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van de Wet toe te passen.
Namens appellant is tegen dat besluit beroep ingesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen het besluit van 24 april 2003, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven inzake het griffierecht en de proceskosten; voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2003 ongegrond verkaard. Hiertoe heeft zij het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder gedaagde gelezen dient te worden:
" De rechtbank stelt voorop dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte onder toepassing van artikel 6:5, eerste lid en onder d, Awb, wegens het ontbreken van gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaarschrift van eiser en de aanvullingen daarop bevatten immers wel gronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid en onder d, Awb. Het beroep gericht tegen het besluit van 24 april 2003 is derhalve gegrond.
Ter zitting heeft verweerder besloten het besluit van 24 april 2003 in te trekken en te wijzigen in die zin dat waar “niet-ontvankelijk” staat moet worden gelezen “ongegrond”. Namens eiser is ter zitting aangegeven dat hij akkoord gaat met deze gang van zaken.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt het beroep gericht tegen het besluit van 24 april 2003 mede geacht gericht te zijn tegen het nieuwe besluit van 30 oktober 2003.
Omdat in de beslissing van 24 april 2003 reeds uitgebreid is ingegaan op de materiële aspecten van de zaak en de gronden van beroep eveneens met name betrekking hebben op de materiële kant van de zaak is de rechtbank van oordeel dat inhoudelijke beoordeling en behandeling van het beroep gericht tegen het besluit van 30 oktober 2003 doorgang heeft kunnen vinden."
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
De Raad ziet zich in dat kader eerst, ambtshalve oordelend, voor de vraag gesteld of de rechtbank terecht een voor haar toetsbaar en een door haar inhoudelijk te toetsen besluit van gedaagde van 30 oktober 2003 aanwezig heeft geacht.
Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Voor het kunnen toepassen van artikel 6:19 van de Awb, zoals de rechtbank heeft gedaan, moet een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb aanwijsbaar zijn. De rechtbank heeft hierbij miskend dat een besluit in die zin volgens de systematiek van de Awb in dezen alleen kan zijn: een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit wil zeggen, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een dergelijke schriftelijke beslissing van gedaagde, die gedagtekend 30 oktober 2003 - de datum van de zitting van de rechtbank - zou zijn, is geen sprake. Hieraan voegt de Raad toe dat argumenten van proces-economische aard die ervoor zouden kunnen pleiten niettemin een oordeel te geven over de inhoudelijke kant van de zaak, afstuiten op het formele karakter van de onderhavige niet-ontvankelijk verklaring.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Dit betekent dat gedaagde alsnog op het ontvankelijk bezwaar van appellant, de toepassing van artikel 2, vijfde lid, van de Wet betreffende, behoort te beslissen.
De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, groot € 322,- ter zake van verleende rechtsbijstand en € 15,32 ter zake van reiskosten, in totaal derhalve
€ 337,32.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt zoals in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven;
Gelast de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 87,- te vergoeden;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep ad € 337,32 aan appellant te betalen door de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A. de Gooijer.
HD
08.09

